• An Image Slideshow
  • An Image Slideshow
Barmhartige Samaritaan
Psalm 111:1+2+5
Wet
Gz 154:1+2+3+4 “Ach wat moet ik toch beginnen”
Gebed
Schriftlezing: Lucas 10:25-37
Preek
Liedboek 481:1+2+3+4 “O grote God die liefde zijt”
Dankgebed
Collecte
Slotzang: Ps 121:1+2+3+4

Thema: voor wie ben jij de naaste geworden?


**

Jezus ontmoet een wetgeleerde.
Bij een wetgeleerde denk je misschien aan een rechter of advocaat die kennis heeft van civiel (burgerlijk) recht of van strafrecht.
Deze man was een kenner van de religieuze en bijbelse wetgeving.
Hij stelt Jezus een vraag met de bedoeling om hem op de proef te stellen.
Anders gezegd: om hem in de val te laten lopen. 

Waarom wil hij Jezus in de val lokken? 
Omdat Jezus zoveel aandacht geeft aan mensen die ongehoorzaam zijn aan Gods wet.
Hij is zo vriendelijk en open tegen deze mensen. Alsof het geen zondaars zijn!
Daar heeft de wetgeleerde vragen bij.
Hij vindt het optreden van Jezus niet getuigen van respect voor de wet.
Hij wil Jezus testen en… misschien ontmaskeren als iemand die de wet niet hoog heeft.
Daarom stelt hij hem de vraag: “wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?”
Wat moet ik doen om geaccepteerd te worden door God?
Hij verwacht dat Jezus, vanwege zijn houding ten opzichte van zondaars, zal antwoorden:
“ach het maakt niet zoveel uit hoe je leeft, God accepteert iedereen.
Ga naar Hem en Hij zal je liefhebben en voor je zorgen.”
En dan zal de wetgeleerde hem ontmaskerd hebben!

Het loopt anders.
Jezus zet voor hem een val en ontmaskert de wetgeleerde.
Het verschil is dat Jezus’ val een val van liefde is.
Het is prima om in een val van Jezus terecht te komen. 
Hij vraagt de wetgeleerde: vertel me wat in de wet staat, wat lees je daar?
Met die vraag kun je twee kanten op.
Of je noemt alle ruim 600 wetten uit de Tora,
of je geeft een samenvatting.
Het is duidelijk dat Jezus daar naar vraagt:
Waar gáát het nou om in de wet.
De wetgeleerde geeft dan ook de samenvatting die in die tijd al wijdverbreid geaccepteerd was.
Je vindt ‘m ook terug in Deuteronomium 6:5 en Leviticus 19:18.
De hele wet was samen te vatten in twee principes:
heb God lief met heel je hart, met heel je ziel, je kracht en je verstand
en heb je naaste lief als jezelf. En laten we nu eens inzoomen op dat tweede:

heb je naaste lief als jezelf.
Wat betekent dat?
Voorzie in de behoeften van je naaste met al je kracht, vreugde, snelheid en inzet waarmee je ook voor jezelf zorgt.
Wees net zo blij met iets dat je kunt doen om je naaste gelukkig te maken als wanneer je iets voor jezelf doet.
Jouw geluk zit in hun geluk opgesloten.
Wat jou blij maakt is wat hen blij maakt.
Oh, is dat alles? 

Voel je de kracht hiervan? 

Als je kijkt naar de verschillende wetten, de honderden regeltjes van de farizeeërs
en je kunt elke dag zeggen dat je er een paar of een groot deel van hebt gehouden,
dan kan dat ertoe leiden dat je je een goed mens voelt.
Maar de hoofdregel van Jezus vertelt waar het in de wet echt om gaat. 

Hij zegt dan ook tegen de schriftgeleerde: doe dat en je zal leven.
Jezus zegt: vervul deze twee geboden want dat is goed.
Het is logisch dat je je Maker op dit niveau lief hebt.
Hij geeft je het leven en onderhoudt je elke seconde. Terecht om Hem lief te hebben.
En het is terecht dat je je naaste behandelt zoals je zelf behandelt wilt worden.

Nou kan de wetgeleerde tevreden zijn. Jezus is het met hem eens.
Toch vraagt hij verder waarom?
Jezus zet deze man liefdevol in z’n hemd.
Jij bent een wetgeleerde? Doe de wet maar.
Doe de wet maar echt. Doe maar waar het in de wet om gaat.
Dat voelt de wetgeleerde haarfijn aan.

Daarom staat er 'hij wilde zich rechtvaardigen'.
Hij wilde z’n gezicht niet verliezen.
Dus vraagt hij: wie is mijn naaste?
Hij zegt eigenlijk: laten we nu redelijk worden want dit kan natuurlijk nooit.
Wie is mijn naaste?
U bedoelt toch niet iedereen?
Laten we het wel even uitvoerbaar houden!

Waarom stelt hij die vraag?
Omdat zijn leven gebaseerd is op het idee dat God hem zal aannemen als hij maar goed leeft.
Zodra hij de samenvatting van de wet geeft, en Jezus zegt: doe dat maar, dan beseft deze man het opeens: onmogelijk om dit te volbrengen!
Jezus zet ‘m klem, hij zit in de val.

Maar hij geeft zich niet zomaar gewonnen.
‘Jezus zal niet mijn hele levensverwachting omgooien!’
Hij vraagt Jezus naar zijn naaste.
Dat zal toch niet iedereen zijn?
Wie dan wel?
Geef nou eens de minimale standaard die nodig is om gered te worden?
Hoeveel mensenlievendheid moet ik minimaal laten zien om door God geaccepteerd te worden?

En dan vertelt Jezus een gelijkenis met een held.
De held vindt letterlijk een mens op zijn weg die een heleboel hulp nodig heeft.
Hulp op het gebied van lichamelijke en geestelijke verzorging.
Verder heeft hij financiële problemen, medische zorg nodig en heeft hij een vervoersprobleem.
Daarbij is de held een gezworen vijand van de man in nood.
Joden en Samaritanen waren de grootste vijanden van elkaar. 

Het is belangrijk om je te realiseren op welke vraag Jezus een antwoord geeft met dit verhaal.
Die vraag is: Wat is de minimale standaard die God van ons vraagt?
Jezus zegt:
ik wil dat je omziet naar mensen die je normaal zou verachten
en mensen die niet geloven wat jij gelooft,
en acht slaat op hun praktische, menselijke behoeften en hen met zo’n concrete en opofferende liefde tegemoet treedt dat het mensen zal verbazen.
Omzien naar de naaste vanuit het evangelie.
Ons helpen dient zo kostbaar en zo zelfopofferend te zijn,
dat mensen wel moeten gaan vragen naar het evangelie.
Want alleen door het evangelie kunnen ze jouw leven verklaren. 

De vraag van de wetgeleerde was: geef me de minimale vereisten om door God geaccepteerd te worden als het gaat om het liefhebben van de naaste.
Jezus geeft een voorbeeld van liefde dat alle perken te buiten gaat.

**
Krijg je nou niet een beetje medelijden met de schriftgeleerde?
Zo van: Ja maar Jezus, laten we wel redelijk blijven.
Kunnen we niet ergens een grens trekken, want anders voel ik me zo schuldig als ik er niet aan voldoe?
Maar dat doet Jezus niet. 
Er zijn drie manieren waarop wij mensen geneigd zijn om grenzen te trekken.
Maar Jezus staat het ons niet toe! 
De drie punten waarop wij grenzen aanbrengen is
a. aan wie
b. wanneer
c en hoeveel

a Aan wie we barmhartigheid moeten betonen.
Vanuit onszelf doen we makkelijker goed aan mensen die hetzelfde zijn als wij en die we waarderen en die ons waarderen.
Dat is heel natuurlijk.
We helpen graag mensen waarmee we ons kunnen identificeren.
Mensen net als wij. 
Jezus zegt 'pas op'.
En hij plaatst een jood en een samaritaan, twee grote vijanden van elkaar, in het verhaal om duidelijk te maken dat onze naaste iedereen is die hulp nodig heeft.
Jezus zegt 'waag het niet om hier een grens aan te trekken!'
Ook aan onze ergste vijand behoren we barmhartigheid te betonen.

b Wanneer we barmhartigheid moeten betonen.
Vanuit onszelf zijn we geneigd alleen mensen te helpen die getroffen zijn door iets dat buiten hun schuld ligt.
Een natuurramp waardoor je huis is weggespoeld bijvoorbeeld. 
Maar dat is anders bij mensen waarvan we weten dat ze zich onverantwoordelijk gedragen.
Mensen die dom zijn en roekeloos en daardoor in de problemen komen.
Die mensen zullen we niet snel hulp geven.
Het is hun eigen schuld!  
Ik wil best helpen, als het niet hun eigen schuld is.
Want anders verdienen ze het niet om geholpen te worden.

In het verhaal heeft de barmhartige Samaritaan alle reden om aan te nemen dat die gewonde man dat verdiend had,
dat het zijn eigen schuld was.
Niet omdat hij de man kent maar omdat het om een Jood gaat.
Joden en Samaritanen zijn als water en vuur.
Beide groepen vonden van de ander dat ze hen onderdrukten.
En in die tijd was men veel minder individualistisch ingesteld.
Een lid van de ene groep werd dan ook vereenzelvigd met de hele groep en dienovereenkomstig behandeld.
De jood op de weg verdiende het dus om te sterven want het was immers iemand van de gehate vijand.
En toch reikt de Samaritaan barmhartig uit.
En weer zegt Jezus 'waag het niet om grenzen te stellen aan het wanneer!'

c Hoeveel barmhartigheid we moeten betonen.
We proberen dus wie en wanneer te begrenzen.
Een derde punt dat we willen begrenzen is hoeveel hulp we moeten geven.
Veel mensen zeggen dat ze graag willen helpen maar dat ze het zich niet kunnen veroorloven.
Ze kunnen zelf amper rondkomen.

Het verhaal van de barmhartige Samaritaan speelt zich af op een zeer gevaarlijke weg.
Een deel van die weg werd genoemd: de weg van het bloed.
Zoveel mensen werden daar overvallen dat het die bijnaam kreeg.
De man in het verhaal is ook overvallen en ligt bloedend langs de weg.
De leviet en de priester lopen snel langs omdat ze zien dat de man nog niet dood is.
Dat is voor hen een signaal dat de overvallers nog in de buurt zijn.
Nu stoppen kan je eigen dood betekenen.
Snel doorgaan dus. 
Niet de Samaritaan.
Als hij stopt riskeert hij alles wat hij heeft, zelfs zijn leven.
Daarbij stopt hij niet even om een geldstuk in de man zijn hand te drukken maar hij verzorgt hem en neemt de tijd voor hem! 
Hoeveel mag barmhartigheid jou kosten?

**

Hoe krijg je mensen zover om op deze wijze te leven?
Hoe is het mogelijk dat iemand leeft zoals Jezus het bedoelt?
Waar komt het vandaan?
Jezus laat ons de verkeerde en de goede motivatie zien.

De eerste manier om mensen tot barmhartigheid te bewegen is door het benadrukken van de moraal. Zowel niet-religieuze mensen als religieuze mensen bewandelen deze weg. 
Niet-religieuze: als je een progressieve levensstijl hebt dan zorg je voor mensen.
Je stemt voor plannen die de armen helpen en je doet vrijwilligerswerk.
Pas dan ben je echt een moderne goede mens. 
De religieuze versie is dat we voor de armen moeten zorgen omdat de bijbel dat zegt, of de koran bijvoorbeeld.
Elke belangrijke godsdienst legt sterk de nadruk op het helpen van de armen. 

Beide benaderingen gaan uit van een schuldgevoel.
Voldoe je niet aan de verwachtingen dan ben je niet echt een progressieve persoon of heb je niet echt een goed geloof.
En het gaat om de gedachte: zij hebben zo weinig, jij hebt zoveel dus voel je je niet schuldig?
Geef het aan de armen! Dat is veel beter. 

In de gelijkenis komen naast de Samaritaan twee types langs die nogal uitgesproken zijn als het gaat om het hooghouden van een moraal: een leviet en een priester.
Zij zijn degenen die geven aan de armen.
Dat is hun taak.
Jezus had ook een Farizeeër kunnen opvoeren maar kiest bewust voor deze mannen. 

Hij wil laten zien dat mensen die vanwege hun werk of vanwege hun moraal aan de armen geven, niet in staat zijn om de echte barmhartigheid te betonen die hen wat kost.
De radicale barmhartigheid waar Jezus om vraagt.
Jezus zegt hier: met moraal kom je niet ver.
Voel je je schuldig vanwege je gebrek aan barmhartigheid?
Hou daar mee op! 
Jezus probeert ook niet om de wetgeleerde zich schuldig te laten voelen.
Hij zegt niet: zie je nu hoe slecht je bent? 

Jezus leert wat anders.
Dat komt tot uiting door de plek waar Jezus de wetgeleerde plaatst in de gelijkenis.
Stel bijvoorbeeld dat Jezus had gezegd dat ipv de Samaritaan een man de weg afkwam die vergelijkbaar is met de wetgeleerde.
En dat hij na afloop had gezegd: ga heen en doe zoals de man in het verhaal. 
De wetgeleerde had hem uitgelachen.
Hij zou gezegd hebben: dat doet toch geen mens!
Doe normaal.
Dit verhaal is niet realistisch en slaat nergens op!
Ik verraad mijn eigen mensen niet!
Maar Jezus plaatst een Israëliet op de plek van de gewonde man.
Hij zet de gehate Samaritaan in de positie om te helpen en stelt de vraag:
wat als jij de gewonde man was?
Wat als jij daar lag dood te bloeden?
En wat als je enige hoop op redding komt van een vijand?
Iemand die jou niets verschuldigd is.
Zou jij genade willen ontvangen?

Jezus geeft dus aan de wetgeleerde niet een regel: doe dit en je zal behouden worden.
Maar hij vraagt: wat als jij afhankelijk bent van genade? 
Jezus is op zoek naar zijn hart.
Naar het besef dat de wetgeleerde niet anders is dan de gewonde man.
Je bent gered door de genade van iemand die je dat volstrekt niet verschuldigd was. 
Je kunt met andere woorden nooit een barmhartige Samaritaan worden als je zelf niet eerst in de positie bent geweest waarin je radicale barmhartigheid nodig hebt. 

**

De vraag van de wetgeleerde is door Jezus omgedraaid.
Van: wie is mijn naaste
Naar: naar voor wie ben ik de naaste?
Je houden aan regels zal niet helpen.
Je hebt een stuwende kracht vanuit je hart nodig om een naaste te zijn voor een ander.
Hoe kom je aan die kracht? 
Ieder die de blijde boodschap aanneemt krijgt die kracht.

Het evangelie zegt: 
We willen allemaal onszelf rechtvaardigen.
Iedereen is daarmee bezig.
Het drijft ons op en mat ons af. 
Als je leeft voor de goedkeuring van andere mensen,
je zal gevangen worden door de mensen die je wilt behagen. 
Leeft je hart voor je familie,
je zal een slaaf worden van je familie. 
Met andere woorden: alles dat je doet met het doel van zelfrechtvaardiging zal ervoor zorgen dat je een slaaf wordt. Moe en angstig zal je op den duur geestelijk doodgaan. 

Maar het evangelie zegt: Jezus kwam op onze weg.
Hij was ons niets verschuldigd.
Sterker nog: wij zijn hem alles verschuldigd want hij heeft ons gemaakt!
En wij proberen voortdurend de baas te worden over ons eigen leven. 
En toch: Jezus was met ontferming bewogen. Een sterke uitdrukking. 
Hij gaf zijn leven voor ons. 
Als je Jezus ziet als jouw barmhartige Samaritaan die alles voor je over heeft dan verandert dat je leven voor altijd.
Dan kun je een begin maken met een barmhartige Samaritaan te zijn voor anderen. 

**

Is er iemand die zich schuldig voelt?
Iemand die zegt: inderdaad, ik doe te weinig.
Doe dan wat Jezus wil dat je doet met schuldgevoel:
realiseer je dat Jezus voor ons de barmhartige samaritaan is geworden die alles opgaf voor ons.
Leef daaruit.
Leef uit Hem.