| Genesis 15:1-21 (doop & belijdenis) |
|
Gz 158 “Als een hert” Ps 89:6 Wet Gz 155:3+4+5 “Heer, waar dan heen?” Gebed Lezen Doopformulier 1 Opwekking 599 “Lang voor je bestond” (door combo) Doopgebed Combinatie van vragen voor openbare geloofsbelijdenis (door Marnix Zuidema) en doop Zegenbede (1) voor Marnix Opwekking 488 “De kracht van uw liefde” (door combo) Bediening van de heilige doop aan Tygo en Thijs Zuidema Ps 105:5 Dankgebed Schriftlezing: Genesis 15:1-21 Schriftlezing: Galaten 3:6-14 Preek Liedboek 477:1 Gebed Collecte Ps 84:5+6 ** Toen ik net op mezelf woonde, 18 jaar, arme student, kreeg ik zo’n brief. Prachtige teksten, uitroeptekens, plaatjes, zegels en certificaten verzekerden dat ik toch echt tot die selecte groep van uitverkorenen behoorde, die nu een fiks geldbedrag gaat winnen. 15 miljoen gulden was niks. Als ik snel reageerde stond er ook nog een auto voor me klaar. En een notaris getuigt met zijn handtekening dat dit nu toch wel heel echt, heel serieus en heel eerlijk voor mij is. Maar dan blijkt tot je stomme verbazing dat talloze mensen in de buurt net zo’n brief gekregen hebben, met precies dezelfde beloftes. Is het nu in het geloof ook zo? Ik geef meteen toe dat de vergelijking iets oneerbiedigs heeft, maar - het zou zo maar kunnen dat soms de beloften van God die Hij in de bijbel aan ons doet, op ons net zo over kunnen komen als zo’n brief vol met glitter en glans: De bijbel staat vol met prachtige beloften. God geeft ons uitzicht op een nieuwe wereld van vrede en gerechtigheid. Straks geen verdriet meer, geen ziekte meer. Geen moordpartijen meer zoals in Noorwegen. Eeuwig leven dichtbij God. Maar wat we zien er nu concreet van? ** Daarom is die vraag van Abram zo spannend. zo boeiend, zo levensecht. Die vraag van Abram: Heer God, hoe kan ik er zeker van zijn dat ik het in bezit zal krijgen? - het is een vraag die ons bekend kan voorkomen. Bekend omdat die vraag zich soms zo sterk aan je opdringt. Wat krijg ik nu tastbaar in handen? Wat gebeurt er in Genesis 15? Nadat Abram en zijn knechten, samen met een aantal lokale vorsten, vier koningen uit het Oosten verslagen hadden en Lot en de burgers van Sodom en omliggende plaatsen bevrijd, verschijnt de Here aan Abram in een visioen: Abram, Ik ben uw schild, uw loon zal vorstelijk zijn. Abram reageert heel direct: Heer wat heb ik er aan dat U mij zoveel wilt geven, want ik ga kinderloos heen, en mijn knecht zal alles erven. Zo, dat is direct. Lees er niet overheen: zo open en eerlijk, zonder van je hart een moordkuil te maken, zo mag je met God omgaan. Doe je dat? Kun jij dat, dingen tegen God zeggen die in je hart leven? Niet alleen de dank, maar ook de teleurstelling, de vragen die bij je leven? Dat hoort bij geloven, dat je dat doet. Hoe reageert God op Abram? Niet boos, niet verontwaardigd. Hij gaat juist op zijn vraag in. God vraagt niet op zo’n manier eerbiedigheid van ons dat we niet meer tegen Hem zouden durven zeggen wat we op ons hart hebben. De Here wil niet met ons omgaan als met jaknikkers en slaafse volgelingen, maar als met kinderen, mensen met een eigen mening en een eigen gevoel, die het zeggen als ze het niet zien zitten, die het zeggen als het leven pijn doet, die het zeggen als ze iets heel graag willen. ….Maar dan ook luisteren naar wat God te zeggen heeft in reactie daarop... net als Abram. Want als je iets vraagt, moet je ook naar het antwoord luisteren. De Here reageert: nee Abram, je eigen zoon zal je erfgenaam zijn, en Hij leidt Abram naar buiten (kennelijk is het nacht) en laat hem de hele sterrenhemel zien: zo zal je nageslacht zijn. En aan die woorden van God klampt Abram zich vast. En dan staat er: “Hij GELOOFDE in de Here.” Hier wordt maar niet een ’gewoon’ geloven bedoeld, zoals Abram dagelijks in de Here geloofde. Als het om dat dagelijkse geloven gaat wordt in het oude testament altijd gesproken van ’de Here vrezen’, niet van ’geloven’. Nee, het gaat er hier echt om dat Abram zich vastklampte aan wat de Here zei. Tegenover alles wat hij dacht, waar hij bang voor was, wat hij eigenlijk niet meer durfde hopen, grijpt Abram zich vast aan wat God zegt. En dát rekende de Here hem toe als gerechtigheid. Dat betekent: dát vond de Here de goede reactie, zó wilde Hij met Abram omgaan. En, gaat God verder, Ik heb je uit Ur geleid om u dit land in bezit te geven. Weer is Abrams reactie direct en eerlijk. Heer God, waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal? Hm. Beetje ontnuchterend. Is dat nou niet een grote terugval van Abram in zijn geloof? Hij geloofde God toch? Waarom klampt Abram zich nu niet meer aan de woorden van God vast, zoals hij dat net nog gedaan had? Net was hij op de top van zijn geloofsbeleving, nu lijkt hij wel in een dal te zitten. Toch vraag ik me af of we dat dan goed inschatten. Er kon wel eens achter zitten dat wij een bepaald beeld hebben van sterk in je geloof zijn. Wij kunnen ons zomaar sterk in ons geloof voelen als we onszelf sterk voelen, als we het idee hebben dat het ons wel lukken zal om bij de Here te blijven, als we het gevoel hebben dat wij nu toch wel helemaal op de Here vertrouwen, als we zien dat het leven naar Gods geboden ons goed afgaat. Maar is dát geloven? En hou je dat vol? Ik moet hier denken aan wat Paulus zegt, dat hij machtig is als hij zwak is. (2 Kor 12:10) Is dát ook niet precies wat we Abram hier horen zeggen: Here, ik ben zwak, helpt U mij. Ik houd dat niet vol, alleen maar te vertrouwen op wat U zegt, als U mij niet helpt: Heer God , waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal? Abram schat zichzelf niet hoog in, maar laag. Hij schat God hoog in: Abram verwacht dat de Here hem ook hierin helpen zal. Als jij klein bent, ben je er klaar voor om Gods grootheid te zien. En Abram zal Gods grootheid en zijn trouw zien. God zegt: ga een heel aantal dieren halen. Abram begreep kennelijk meteen wat de Here wilde, want hij handelt verder op eigen initiatief: hij slacht de dieren, deelt ze middendoor (behalve de vogels) en wacht af. Dat komt omdat God aansluit bij een in Abrams wereld bestaand gebruik. Met dat de Here zegt: haal mij een driejarig jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif, begrijpt Abram dat de Here met hem een verbond wil sluiten. Wat is een verbond? Probeer je eens te verplaatsen in Abrams wereld. Abram was een zwervend herdersvorst in de voor ons zo onbekende wereld van de bronstijd, 1900 zoveel voor Christus. Een geordende samenleving bestond nog niet. Er was geen centraal gezag, er was geen centraal recht, geen politie, geen geregeld leger. Groepen mensen, dat was waar je mee te maken had. Een groep van een beetje omvang (laten we zeggen een paar honderd, hooguit duizend) bouwde een muur om hun dorp, en noemde het stad, en benoemde hun dorpsoudste tot hun koning. In die omstandigheden moesten de mensen zich beschermen en sterk maken door persoonlijke afspraken. Mensen verbonden zich met elkaar om de gevaren die hen bedreigden gezamenlijk het hoofd te kunnen bieden. Zij maakten daar plechtige afspraken over, door persoonlijke rituele eedzwering met een beroep op de goden voor de handhaving van hun beloften. Als zij die zouden breken, dan mochten de goden hen straffen. Dat heette dan een verbond. Een verbond was de sterkste manier van afspraken maken die in die tijd bestond. Wat is dat nu? Iets dat je regelt via een notaris, of wat de overheid regelt bij wet, dat moest toen persoonlijk door middel van een verbond afgesproken worden. Verbonden had je dan ook in soorten. Er zijn er een heleboel bekend, niet alleen uit de bijbel zelf, maar ook uit andere, buitenbijbelse bronnen. Kijken we nu naar het verbond dat God met Abram sluit, dan zien we dat de Here met Abram een heel concreet verbond sluit. Hierbij geef Ik aan uw nageslacht dit land, van de rivier van Egypte af tot de grote rivier, de Eufraat, en dan volgt een zeer gedetailleerde beschrijving van het grondgebied aan de hand van de volken die er woonden. Het is, na een slordige 4000 jaar, ook niet meer duidelijk waar al die volken precies woonden. Maar voor Abraham was het duidelijk. En wij kunnen eruit opmaken dat het hele gebied is dat Israël later zou bewonen. Dat gebied schenkt de Here hierbij aan Abrams nageslacht. In onze samenleving zou het hier gaan om een schenkingsacte, notarieel precies opgetekend, voorzien van alle nodige stempels en handtekeningen, rechtsgeldig tot en met. Hierbij schenkt de Here, plechtig. Hij doet dat zelf, en Hij doet dat alleen. Abram hoeft tussen de dieren niet door te gaan. Hij hoeft zich niet vast te leggen. De Here doet dat. Hij is de gever, de schenker. Plechtig legt Hij zich vast, voor altijd. Dat, Marnix en Maaike, is ook zo gaaf aan de doop van Tygo en Thijs. God geeft hen zijn beloften, Hij legt zich vast, zonder voorwaarden vooraf. Straks, als ze groter worden en jullie hen de bijbelse verhalen vertellen en liedjes leren en met ze bidden, mogen ze God leren kennen. En daarin heb jij, Marnix, zeker iets bijzonders te vertellen. Jarenlang heb je zonder God geleefd. Je was het geloof helemaal kwijt. Maar het water van de doop bleek sterker te zijn, de beloften van God bleken sterker te zijn. En je mag ze vertellen dat het niet draait om hun geloof, hun gevoel, je geloof kun je kwijtraken en je gevoel kan in een dip komen, Maar Gods beloften. Die zijn zó sterk, daar kan je op bouwen. Zó komt de Here Abram tegemoet op zijn vraag om hulp: Heer God, waaraan zal ik weten dat ik het bezitten zal? De Here zet zijn beloften zwart op wit voor Abram. Zo geeft Hij Abram houvast en steunt Hij hem in zijn vertrouwen op de Here. Hij mag het weten: de Here heeft zich vastgelegd, plechtig, met de sterkst voorstelbare afspraak: zo zal Hij het ook doen. En dat is nu typisch onze God. Hij helpt ons in onze zwakheid, en Hij doet dat op een menselijke manier. Hij geeft Abram niet als bij toverslag de zekerheid en het vertrouwen die hij nodig heeft, nee, Hij komt naast Abram staan als was Hij een menselijke grootgrondbezitter, en schenkt hem plechtig, in een rituele verbondssluiting, het land dat Hij hem beloofd had, en stimuleert Abram zo tot werkelijk, menselijk vertrouwen. God manipuleert Abram niet, Hij gaat werkelijk met hem om. Zo is Hij. Zo is Hij ook voor ons. Kijk maar in de bijbel. Eeuwenlang is God steeds weer met beloften gekomen. Hij heeft zich voor ons vastgelegd in die bijbel. Aan dat woord mogen we Hem houden. Het is zijn meest plechtige verzekering. Daarmee wil Hij ons overtuigen om op Hem te vertrouwen. En meer nog: want God heeft het niet bij woorden gelaten: dit verbond, deze schenkingsacte van God aan Abram heeft één grote vervulling gekregen: in het grote, eeuwige testament en genadeverbond in Christus’ bloed. Niet als bij toverslag verandert Hij alles, maar Hij komt om met ons om te gaan. En Hij belooft: hierbij geef ik jullie eeuwig leven, en dat leven is in Christus, de Zoon. Hier waren niet maar de tekens van God, rook en vuur, maar hier was God zelf. De handtekening onder deze acte is met Gods eigen bloed gezet. Hij alleen ging tussen de dieren door bij Abram. Hij alleen ging de dood in aan het kruis. Waaraan weet je zeker, hoe kun je ervaren dat wij dat eeuwige leven bezitten? Kijk naar Gods grote schenkingsacte in Christus. Hierbij geeft Hij het ons. Als we dat vasthouden lopen we in die stoet van ontelbare mensen die, zoals Abram, door geloof en geduld de belofte mochten krijgen. Galaten 3:14 zegt: Zo zouden door Jezus alle volken delen in de zegen van Abraham en zouden wij, zoals ons is beloofd, door het geloof de Geest ontvangen. ** Ondertussen weet God maar al te goed hoe moeilijk wachten is. Abram moest wachten tot Hij het land kreeg. Wij moeten wachten tot God alles nieuw maakt. Daarin komt God Abram tegemoet. Hij geeft Abram maar niet alleen plechtig het land, nee, Hij vertelt Abram in de verzen 13-16 ook over hoe het zal gaan: Hij laat Abram begrijpen waarom hij moet wachten, waar zijn geduld voor nodig is. De Here is een God die uitlegt, die ons tegemoetkomt op onze vragen. Niet een God van: zo is het, daarmee basta! En ook niet een God die geheimzinnig doet over wat Hij van plan is en ons maar laat wachten. Nee, Hij vertelt, hier aan Abram, aan ons een bijbel lang, over wat er gebeuren gaat - en Hij legt uit, hier aan Abram, dat de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten nog niet vol is. En ook ons legt God uit, waarom Hij er nog niet is en zijn koninkrijk nog uitblijft: omdat het getal van de mensen die gered worden nog niet vol is. Omdat Hij wil dat nog véél meer mensen Jezus Christus leren kennen en zich door Hem laten schoonwassen van hun schuld. Zouden we daar niet op willen wachten? Sterker nog, zouden we daar niet aan willen meewerken? Dat is nu typisch God. Hij gaat met ons als mensen om. Hij breekt ons ongeduld niet met barse woorden, Hij lost ook ons ongeduld niet eenvoudig op, door ons met een druk op de knop geduldig te maken, nee, Hij vertelt, Hij legt uit, en Hij legt zich vast, in woorden en in zijn Zoon. Hij heeft niet alleen deze plechtige schenkingsacte aan Abram gestand gedaan, maar ook al zijn beloften vlees en bloed gegeven in zijn Zoon. Daarom, als ons die vraag van Abram bekend voorkomt, die vraag van: Heer God, wat heb ik er allemaal aan? als het gevoel ons bekruipt: is het geen droom, geen illusie, geen fata morgana – laten we dan ook luisteren naar het antwoord van de Here. In alle toonaarden staat het in de bijbel, zwart op wit. En alsof dat nog niet genoeg was: in de persoon van Christus zijn al God beloften ’ja’ geworden en ’amen’, vast en zeker, zo zeker als Hij geleefd heeft, gestorven is en opgestaan en nu al in de hemel is, hij is ons vooruitgegaan, Hij is onze hogepriester. Zo komt God ons tegemoet, verzekert ons met alle middelen: Ik doe wat Ik beloof: kijk maar, lees maar: zwart op wit, kijk maar, voel maar, goddelijk bloedrood op wit. |

