| Tempelreiniging (27 februari 2011) |
|
15 Ze kwamen in Jeruzalem. Hij ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, 16 en hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. 17 Hij hield de omstanders voor: ‘Staat er niet geschreven: “Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn”? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ (Matteüs 11:15-17) Een mooi verhaal hè, over die tempelreiniging? Je ziet het voor je! Op de grote binnenplaatsen van het tempelcomplex is het een drukte van belang. Allerlei offerdieren worden te koop aangeboden, je kunt je geld wisselen voor allerlei doelen, zodat je met heilige muntjes, muntjes zonder de kop van die heidens keizer erop je dieren kunt kopen of je tempelbelasting betalen. Het is één grote krioelende menigte. En dan komt Jezus langs. Hij begint de dieren naar buiten te drijven. De eigenaars er achteraan natuurlijk. Daar gaat hun koopwaar. De tafels van de wisselaars worden omgekeerd. Kijk ze grabbelen naar hun geld. En de duivenverkopers proberen krampachtig hun duiven bij elkaar en in de hand of de mand te houden. Maar hij gooit hun stoelen om. Al die handelaars druipen af. En dan? Dan daalt een weldadige stilte neer. De tempel is weer een huis van gebed. Ja, een mooi verhaal. Maar er zit ook een andere kant aan. Is dit Jezus? Die boze man die de tafels van de verkopers ondersteboven gooit en de mensen van het tempelplein afjaagt? Maar wat deden die handelaars dan verkeerd? Ze verkochten toch dingen die de mensen nodig hadden om te offeren? En sinds wanneer is Jezus boos? Hij wint mensen toch voor zijn boodschap met mildheid en ontferming? En dan dat andere verhaal. Is dat Jezus? Die onredelijke man die honger heeft, wil eten van een vijgenboom en als hij niets vindt, de boom vervloekt. En dat terwijl het niet de tijd was voor vijgen. Zijn boosheid en zijn vervloeking lijkt onredelijk. Ik wil eerst de beide gebeurtenissen met jullie bij langs lopen. Dan wordt duidelijk wat die 2 gebeurtenissen met elkaar te maken hebben. Om te eindigen bij de betekenis voor ons vandaag. ** De vervloeking van de vijgenboom. Dit is het enige keer dat Jezus een vloekwonder doet. Altijd zijn de wonderen die Hij doet helend, genezend, zegenend. Hier niet. Dat trekt de aandacht. Jezus was onderweg van Betanië naar Jeruzalem. Hij kreeg honger. En dan ziet hij verderop een vijgenboom staan die mooi in het blad staat. Jezus loopt er naar toe om te zien of Hij er ook iets aan kan vinden om te eten. Maar bij de boom gekomen, vindt hij niets dan bladeren. Laconiek zegt Marcus: want het was nog niet de vijgentijd. Alleen vraag je je dan af: waarom loopt Jezus dan naar die boom toe? In Nederland zoek je op 27 februari toch ook geen appels aan de appelboom? Dat zijn dingen die je weet, wanneer is het de tijd voor vruchten, en die zeker de Zoon van God weet! Tja, wat moet je daar nu mee? Wat opvalt is de formulering die Marcus kiest. Er staat niet dat Jezus ging kijken of er vijgen waren. Jezus loopt er naar toe om te zien of Hij er ook iets aan kan vinden om te eten. Er zit nl. aan een vijgenboom méér eetbaars dan vijgen alleen. Vroeg aan het seizoen zitten al kleine vruchtjes aan het eind van de takjes, iets groter dan bessen. Niet rijp, nog lang niet, maar al wel eetbaar. Omdat Jezus echt honger had, is het mogelijk dat hij op die boom is toegelopen om wat van die vruchtjes te zoeken. Maar hij vond alleen bladeren. Nu de boom, die levend leek, zelfs geen knopjes heeft om de honger enigszins te stillen, spreekt Hij er een vloek over uit: niemand zal nu ooit meer van u nog een vrucht eten. Geen vrucht. Dus: niet alleen geen vijgen meer, maar zelfs ook de kleine knopjes in het voorjaar niet. ** De tempelreiniging Daarna gaat Jezus naar de tempel. Het lijkt niks met het voorgaande te maken te hebben. Alles is er in vol bedrijf. Handelaars verkopen offerdieren en pelgrims met allerlei vreemde valuta bij zich, kunnen terecht bij de wisselaars om hun geloften met heilig geld te betalen. Dat was een verhaal apart, dat heilige geld. Iedere pelgrim moet op het paasfeest zijn vaste vrijwillige bijdrage aan de tempel betalen. Maar – zo hadden de joden bedacht - dat kon natuurlijk niet met munten waarop het portret van de gehate Romeinse keizer staat afgebeeld. Dat moest met oud joods geld dat al meer dan 100 jaar uit de normale circulatie was. Dat geld was dus zeldzaam en kostbaar. Vervolgens gaven de pelgrims deze duur gewisselde heilige muntjes aan de priesters. En de priesters wisselden die muntjes dan weer om bij de handelaars. Een winstgevende handel voor zowel de wisselaars als de priesters. (dat is nog eens iets anders dan onze collectemunten / bonnen van tegenwoordig). Jezus prikt dwars door die ouderwetse, schitterende rituelen heen. Hier wordt de God van Abraham, Izak en Jacob niet gediend, maar de mammon, de god van het geld. Behalve het wisselen van geld was er ook het kopen van offerdieren. Duiven waren veel geofferde dieren. Niet alleen waren ze bij allerlei offers nodig, maar ook was het hét offerdier voor diegenen die geen lam konden betalen. Als je wel eens op een plein bent geweest waar heel veel duiven zijn, weet je wat een troep en wat een lawaai dat veroorzaakt. Het is ook een druk heen en weer lopen met allerlei koopwaar en vaatwerk. Het hele gebeuren van de tempel is zo levendig, zo druk. Maar staat God ook centraal in die drukte? ** Het Lam van God komt in de tempel en vindt er een grote bende lammeren en andere offerdieren die te koop worden aangeboden. Het lijkt wel of alles om die dieren en om het geld verdienen met die dieren gaat. Het huis van zijn Vader, dat een huis moet zijn van gebed om verzoening en van eerbiedig ontvangen verzoening, is overgenomen door een heleboel druktemakerij, waarbij het helemaal niet meer gaat om waar het om zou moeten gaan: brandoffers en slachtoffers hebt U niet gewild. Maar dat mensen zouden zeggen: hier ben Ik om uw wil te doen. De hele opruiming die Jezus dan houdt komt neer op: Uit de weg, maak plaats, Ik ben het Lam. Als de stilte daalt over het tempelcomplex blijft alleen het Lam van God zelf over als offerdier. Welbewust provocerend maakt Jezus plaats voor zichzelf. Wat Hem in de weg staat, wat afleidt van waar het echt om gaat, dat wordt uit de tempel uitgedreven. Hij alleen is het Lam en Hij alleen gaat sterven tot een volkomen verzoening van zonden. ** Nu gaan we een stap dieper. Wat hebben de vervloeking van de vijgenboom en de tempelreiniging met elkaar te maken? Om in beeld te krijgen wat hier gebeurt, moeten we letten op de manier waarop Marcus deze geschiedenis vertelt. Marcus vertelt hoe Jezus koninklijk intocht hield in Jeruzalem. Hoe de mensen hem toejuichten. Daarna gaat Hij naar de tempel. Hij overziet alles wat er gebeurt en vertrekt dan weer. Een soort inspectie dus. Als Jezus de volgende dag ingrijpt, is dat dus geen opwelling van het moment, Hij grijpt in op basis van wat Hij heeft gezien. Vóór Jezus grote opruiming op het tempelplein gaat houden gebeurt dat met die vijgenboom. Jezus onderzoekt deze boom en vervloekt ‘m als Hij er geen vrucht aan vindt. Zie je? Het loopt parallel. De inspectie van de tempel en het zoeken naar vruchten bij de vijgenboom. Dan de vervloeking van de vijgenboom en de grote schoonmaak op het tempelplein. Het gaat dus niet om die vijgenboom op zichzelf. Die is alleen maar een teken. En dan nóg een stap verder. In één nacht verdort de vijgenboom De boom die zo levend leek - compleet verdord. Da’s een profetie over wat er met de tempel zal gebeuren. De tempel zal worden verwoest. Een tempel die alleen bezig is met zichzelf en z’n heilige handel, maar het Lam van God niet ziet staan, heeft geen bestaansrecht meer. En dat zorgt ervoor dat ik niet zo makkelijk meer kan toekijken en genieten van een spektakel op het tempelplein. Als Jezus zó is, wat zal er dan gebeuren als Hij mijn leven bezoekt? Wat als Hij binnenkomt in de tempel van de Heilige Geest, mijn lichaam, jouw lichaam? Als christen lijken we op die verkopers op het tempelplein. Hoe vaak hebben we niet onze eigen handeltjes, onze eigen zaakjes, onze eigen belangen in de kerk? Wat zijn de dingen die jij graag aan de man willen brengen, die in jouw kraam te pas komen? Wat zijn de dingen die wij graag willen zien gebeuren in de kerk. Waar we anderen van willen overtuigen? En, staat Jezus daarin centraal? Of staan jouw ideeën centraal? Al die dingen die zo nodig moeten, waar we samen drukte om maken, zonder dat het nog duidelijk om Jezus gaat? Met alle beste bedoelingen moet dit zo blijven en dat moet anders, en ons idee moet worden uitgevoerd, want het is een goed idee. Wat zullen we zeggen als Hij onze kraampjes opruimt en als Hij, het Lam van God, zichzelf centraal stelt in ons leven? Waar zijn wij mee bezig in de kerk? Is dat niet het gevaar dat de kerk voortdurend bedreigt? Dat Gods huis geen bedehuis is maar een handelshuis in menselijke ideeën. ** Jezus zei nog iets opvallends. Mijn huis moet een bedehuis zijn voor alle volken. En als je Jesaja 56 er op naleest, want daar citeert Jezus uit, zie je dat Hij ook écht bedoeld: voor niet-joden, voor mensen die God komen aanbidden terwijl ze Hem eerst niet kenden. Doordat het Joodse volk zo bezig was met zichzelf, met hun eigen handeltje, daarom bleef de tempel een interne joodse aangelegenheid. Ook daarom maakt Jezus korte metten met deze tempel. Mijn huis moet een bedehuis zijn voor alle volken. Maar Jezus pakte niet alleen de vérkopers aan. Hij joeg ook de kopers weg. De consumenten moesten naar huis. Zijn wij niet vaak consumenten in de kerk? Wat kom jij “halen” in de kerk, wat kom jij kopen? De kerkdienst moet me blij maken, nieuwe energie geven. De dominee moet inspireren en aansprekend preken. We moeten fijne mensen ontmoeten die ons kunnen bedienen. Een goede graadmeter voor wat jij komt halen in de kerk is waar jij vol van bent na afloop van de kerkdienst. Waar denk je aan als je de kerkzaal uitloopt, waar praat je over in hal en thuis onder de koffie? En de dingen waar je je druk over maakt, hebben die rechtstreeks te maken met de Here Jezus? Ook tussen God en jou kan het ook zomaar een handel worden. Ik bid, lees uit m’n bijbel, dien God. Nu moet God me ook zegenen. Voor wat hoort wat. Maar het gaat God niet om bevrediging van jouw religieuze koopdrang. Het gaat de Vader om zijn Zoon. Wat Hij wil geven is zoveel méér dan een goed gevoel of een prettige stimulerende religieuze ervaring. God wil je veel méér geven. Hij wil dat je weet dat Hij je liefheeft. Dat je zijn geliefd kind mag zijn. Dat het niet gaat om wat jij allemaal doet, maar dat je gewoon mag komen zoals je bent en je mag koesteren in Gods liefde. Dat niet jij centraal staat met wat jij hebt gepresteerd, maar dat Jezus, het Lam van God, centraal staat met wat Hij heeft gedaan voor jou. Dat je zijn kind mag zijn, Alles in jouw leven wat niet om Hem draait moet weg, hoe mooi het ook lijkt. Alles wat om Hem draait zal bestand blijken tegen alles. Pijnlijk als dat betekent dat mijn goede plan het niet haalt, vervelend als Jezus niet geïnteresseerd blijkt in waar ik zo druk mee ben. Maar als we zo weer leren om Wie het gaat en dat het in het huis van God niet draait om onze winst, maar om ons gebed en onze verzoening, wat is méér waard dan dat? ** Kort nadat Jezus het tempelplein heeft schoongeveegd en zei dat zijn huis een huis van gebed moest zijn – Kort nadat Jezus al die offerdieren wegjoeg en zélf alleen overbleef als het Lam van God – Kort daarna heeft Hij zichzelf als een Lam ter slachting laten leiden. Toen Hij stierf scheurde het voorhangsel. Iedereen kon kijken naar het heiligste der heiligen. Iedereen kon dichtbij God komen, zo dichtbij als maar mogelijk is. Wat zou je nog bezig zijn met je eigen handeltje op het kerkplein, als je ook binnen mag komen, dwars door dat gescheurde gordijn heen binnen kunt komen bij God de Vader, als Hij je zonder verwijt ontvangt en je voor altijd zijn teruggevonden zoon of dochter mag wezen?
|

