• An Image Slideshow
  • An Image Slideshow
Preek zondagmiddag 13 maart 2011

Liturgie 13 maart 2011 16.30 uur

Ps 36:2

Avondmaalsformulier 2 (gedeeltelijk, vanaf “gedachtenis van Christus”)

Gaand avondmaal: Gz. 89:1+2+3+4

Lezen: Exodus 24:1-11

1 Mozes kreeg van de HEER deze opdracht: ‘Kom naar mij toe, de berg op, samen met Aäron, Nadab en Abihu en zeventig van Israëls oudsten, en kniel op eerbiedige afstand neer. 2 Alleen jij, Mozes, mag in de nabijheid van de HEER komen, de anderen niet. Het volk mag jou niet volgen als je de berg op gaat.’

3 Mozes maakte het volk bekend met alle geboden en regels die de HEER had gegeven, en het volk verklaarde eenstemmig dat het zich zou houden aan alles wat de HEER geboden had.4 Hierna schreef Mozes alles op wat de HEER had gezegd. De volgende morgen bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en richtte hij twaalf gedenkstenen op, voor elk van de twaalf stammen van Israël één. 5 Hij droeg een aantal jonge Israëlieten op om de HEER brandoffers te brengen en stieren te slachten voor een vredeoffer. 6 Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, de andere helft goot hij tegen het altaar. 7 Vervolgens nam hij het boek van het verbond en las dit aan het volk voor, en zij zeiden: ‘Alles wat de HEER gezegd heeft zullen we ter harte nemen.’ 8 Toen nam Mozes het bloed en besprenkelde daarmee het volk. ‘Met dit bloed,’ zei hij, ‘wordt het verbond bekrachtigd dat de HEER met u heeft gesloten door u al deze geboden te geven.’

9 Hierna ging Mozes de berg op, samen met Aäron, Nadab, Abihu en zeventig oudsten van het volk, 10 en zij zagen de God van Israël. Onder zijn voeten was er iets als een plaveisel van saffier, helder stralend als de hemel zelf. 11 Deze vooraanstaande Israëlieten werden niet door God gedood: zij zagen hem, en zij aten en dronken.

Lezen: 2 Korintiërs 3-4:6
1 Beginnen we onszelf weer aan te bevelen? Of hebben we net als sommige anderen aanbevelingsbrieven voor of van u nodig? 2 U bent zelf onze aanbevelingsbrief, in ons hart geschreven, maar voor iedereen te zien en te lezen: 3 u bent zelf een brief van Christus, door ons opgesteld, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet in stenen platen gegrift maar in het hart van mensen. 4 Dit vertrouwen kunnen wij dankzij Christus tegenover God uitspreken. 5 Niet dat wij vanuit onszelf zo bekwaam zijn dat we dit als ons eigen werk kunnen beschouwen; onze bekwaamheid danken we aan God. 6 Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van zijn Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

7 Wanneer wat de dood bracht en met letters in steen werd gegrift, al met zo veel luister verscheen dat het volk van Israël niet naar Mozes kon kijken door de stralende glans op zijn gezicht – een glans die verdween –, 8 zal dan wat de Geest brengt niet nog groter luister hebben? 9 Wanneer wat tot veroordeling leidt al met luister is bekleed, dan is wat tot vrijspraak leidt dat des te meer.10 De luister van toen is niets in vergelijking met de overweldigende luister van nu. 11 Wanneer wat verdwijnt al luister bezit, geldt dat des te meer voor wat blijft. 12 Dit is onze hoop, en daarom handelen we in alle openheid 13 en zijn we niet als Mozes, die zijn gezicht met een sluier bedekte, zodat de Israëlieten niet konden zien dat de glans verdween. 14 Hun denken verstarde, en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt. Hij wordt alleen in Christus weggenomen. 15 Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart, telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen. 16 Maar telkens als iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen. 17 Welnu, met de Heer wordt de Geest bedoeld, en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. 18 Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.

4

1 Omdat God ons in zijn barmhartigheid deze taak gegeven heeft, verzaken wij onze plicht niet.2 Integendeel, we hebben ons afgekeerd van heimelijke lafheid: we gaan niet sluw te werk, vervalsen het woord van God niet, maar maken de waarheid openlijk bekend. Zo bevelen we ons ten overstaan van God aan bij ieders geweten. 3 Wanneer er dan toch nog een sluier ligt over het evangelie dat wij verkondigen, geldt dit alleen voor hen die verloren gaan: 4 de ongelovigen, van wie de gedachten door de god van deze wereld zijn verblind, waardoor ze het licht van het evangelie niet kunnen zien, de luister van Christus, die het beeld van God is. 5 Wij verkondigen niet onszelf, wij verkondigen dat Jezus Christus de Heer is en dat wij omwille van hem uw dienaren zijn.6 De God die heeft gezegd: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen,’ heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus.

Gz. 107:2+3

Verkondiging

Gz. 107:1+4

Dankgebed

Collecte

Slotzang: Ps. 145:1+5

**

Dat was nog eens wat, nietwaar?

74 Israëlitische mannen op audiëntie bij de Here God zelf in één van de opperzalen van de hemel, voor één keer toegankelijk voor publiek.

“Zij zag God en zij aten en dronken.”

Hier was het maar weer heel gewoon avondmaal vanmiddag.

We liepen naar voren, we aten, we dronken, we zeiden wat en zongen wat.

Veel bijzonders was er niet aan, veel spectaculairs was er niet bij.

Wie op zoek was naar de ultieme religieuze kick heeft die hier niet gevonden.

Misschien verlang je ernaar dat het anders was geweest,

net als daar, op de berg.

Dat de stenen vloer van deze kerkzaal zómaar overliep in een plaveisel van saffier, helder stralend als de hemel zelf.

Nooit zouden we het vergeten, die ene kerkdienst, die ene avondmaalsviering, voor de ogen van God zelf.

Wat zit daar achter?

Wat zorgt er voor dat je zomaar vanzelf je gaat indenken

hoe het zou zijn als we vanmiddag onze God eens zichtbaar in de dienst hadden?

Ja, wat?

Verlangen naar God, verlangen om zijn nabijheid te ervaren.

Gemis, aanvechting, het gevoel dat het allemaal maar niet écht voor je wil worden, omdat je er toch maar niks van kunt zien.

En zomaar ook wat jaloersheid op die 74 mannen die daar de God van Israël zagen.

Ja hoe het zou zijn als wij nu ook eens... net als op die berg...

**

Toch ben ik blij dat het vanmiddag anders was.

Want als je gaat vergelijken,

dan moet je ook je best doen om die vergelijking eerlijk te maken, nietwaar?

Nou, als het vanmiddag net zo zou zijn geweest als op de berg Sinaï,

dan zouden jullie hier bijna allemaal bij elkaar hebben gezeten, net als iedere nu,

alleen de ouderlingen niet.

Namens u allen zou de kerkenraad op audiëntie zijn geweest bij God, ergens ver weg.

En als ze terugkwamen zouden ze stil zijn en onder de indruk.

En u zou het gevoel hebben er buiten te staan omdat zij u nooit zouden kunnen duidelijk maken wat zij eigenlijk meegemaakt hadden.

Als de Here Jezus het avondmaal instelt, dan zegt Hij bij de beker:

dit is het bloed van mijn verbond,

dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

Met die woorden ’het bloed van mijn verbond’ wijst Hij terug naar dit gedeelte van Exodus, vers 8: zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit, op grond van al deze woorden.

Tegenover dat oude verbond, zegt de Here Jezus ’mijn’ verbond.

En Hij doet dat niet om ons jaloers te maken op die oude Israëlieten, omdat zij toch maar de heerlijkheid van God zelf konden zien.

Als Hij het doet laat Hij ons juist zien hoe veel heerlijker zijn eigen, nieuwe verbond wel niet is.

Maar waar zit ‘m de heerlijkheid van dat nieuwe verbond in?

De heerlijkheid van het nieuwe verbond zit hem in het gewone!

Kijk, in Exodus spreekt alles van afstand en verschil.

Het volk staat beneden aan de berg,

de Here God is boven op de berg, ontoegankelijk, als verterend vuur.

Pas na zorgvuldige offers en bloedsprenging mag een delegatie van het volk even bij Hem op audiëntie komen.

Bij het avondmaal zit God midden tussen zijn volk, toegankelijk, mens onder de mensen en Hij zegt: Kijk, dit brood en deze beker zijn mijn lichaam en bloed voor jullie.

In Exodus spreekt alles van afstand en verschil.

In Exodus is het maar de vraag of er een maaltijd gehouden wordt.

Mensen die een heleboel meer van het Oude Testament gezien hebben dan ik verdedigen de gedachte dat het ’en zij aten en dronken’ helemaal niet betekent dat die oudsten van Israël daar op de berg aten en dronken, maar eenvoudig betekent dat zij in leven bleven, gezond en wel.

Hoe dat ook zij, de nadruk ligt hier in Exodus niet op het eten, maar op het zien: zij aanschouwden God.

Ze mochten Hem even zien als teken dat Hij het echt was met wie zij hun verbond gesloten hadden.

Maar het avondmaal is een maaltijd.

God zelf in Christus zijn Zoon eet met ons, Hij zit met ons aan tafel.

Een maaltijd ook waar je niet maar ziet, maar ook proeft.

In Exodus is dit allemaal maar voor één keer en voor een beperkt gezelschap.

Het avondmaal is voor telkens weer en voor alle volwassen gelovigen.

Het heeft zijn plaats niet op een berg, op een aparte, heilige plaats, maar het heeft zijn plek in de liefdemaaltijden van de gemeente, midden in de alledaagse gemeenschap van mensen onder elkaar.

De heerlijkheid van het nieuwe verbond zit hem in het gewone, in de herhaling van alle dag.

Bij dit bloed van Christus’ verbond hoort een ’blijf dit doen, tot mijn gedachtenis’.

**

Broeders en zusters, diep in ons hart woont nog het verlangen naar het heel bijzondere, het heilige, het aparte.

Wij houden God het liefste uit het alledaagse.

En zomaar is ook voor ons besef het avondmaal het summum van heiligheid en apartheid.

Maar de Here Jezus zei: blijf dit doen, tot mijn gedachtenis.

Het was zelfs niet eens een heilige maaltijd die Hij instelde.

Hij bedoelde: telkens als jullie samen brood eten en wijn drinken, eigenlijk dus: telkens als jullie samen eten, denk dan aan Mij:

je leeft heel je leven uit de vergeving, en je mag heel je leven bij iedere maaltijd toasten op het nieuwe verbond van genade en verzoening.

In de kerk hebben we die maaltijd teruggebracht tot één stukje brood en één slokje wijn.

En dat is goed. Dat houdt je fris.

Maar het mist zijn doel als we vanavond, en morgenochtend, en morgenmiddag en -avond, en alle dagen, onze dagelijkse maaltijden en ons dagelijks leven niet in verband zien staan met dit avondmaal hier.

Als God voor de zondag is, en onder die zondagen dan nog weer in het bijzonder voor de avondmaalszondagen, als toppers van heiligheid en bijzonderheid, dan vergeten we dat er in het nieuwe verbond

geen heilige plaatsen meer zijn (tempels en zo)

geen heilige mensen (priesters en zo)

geen heilige dagen (sabbatten en zo),

maar dat God in Christus midden in ons alledaagse leven is komen staan om heel ons leven heilig te maken.

Het avondmaal bepaalt ons daarbij.

Doodgewoon brood, en het zou ook doodgewone huiswijn moeten zijn.

Geef ons vandaag het nodige brood, bidden we.

Daarmee wordt datzelfde brood bedoeld.

En denkt u er straks maar aan, als u uw boterham smeert: gedenk en geloof dat het lichaam van onze Heer gegeven is tot volkomen verzoening van al onze zonden.

Dat was niet maar voor even, voor vanmiddag hier voor, nee, dat is ook voor straks, en voor morgen bij je pakkie brood op je werk of op school.

En ik hoop dat u ook vanavond thuis de zondagsviering kunt besluiten met een feestelijk glas, of er nu wijn in zit of niet.

Maar ook dan mag u het u horen zeggen: gedenk en geloof, een nieuw verbond in Christus bloed.

Heerlijk, ook voor vandaag weer genade en verzoening, en morgen en overmorgen, en eens, als het leven werkelijk gewoon zal zijn geworden, de beker in het nieuwe Jeruzalem.

Broeders en zusters, die beker van de dankzegging van daarnet en die overwinningsbeker van vanochtend die mogen we iedere dag heffen.

Ja als we dát niet doen, dan is het maar de vraag of we ooit die nieuwe wijn zullen drinken in Gods koninkrijk.

**

Daarom ben ik er eigenlijk best wel blij mee, dat het hier maar gewoontjes was. Morgen is het ook weer gewoontjes.

Dagelijks brood met kaas en worst.

Dat komt niet maar van de bakker, of van de fabriek.

Dat komt van God, in de naam van onze Heer, Jezus Christus.

Hij is het levende brood.

Als je gewoon brood eet, ga je dood.

Als je tegelijk met het gewone brood, eet van Jezus, het levende brood voor elke dag, zul je leven voor altijd.

Als je water drinkt, of wat dan ook maar drinkt, water zit er altijd in;) ga je dood.

Als je tegelijk met het water, drinkt van Jezus, het levende water, zul je nooit meer dorst hebben.

Dat is een oefening, niet maar voor 4 of 6 keer per jaar, maar voor elke dag!